Su en giù
Roeland Scholtalbers
Aan de muur in mijn kantoor prijkt een affiche van de Italiaanse zanger Vinicio Capossela. Grote blauwe letters tegen een roze achtergrond spellen ‘Sud, fuga dell’anima’. Ik heb de poster bewust richting het zuiden opgehangen. De zin over de vluchtende ziel komt uit de jazz-bossanova-ballade Camera a Sud. Het poëtische nummer gaat over verlangen naar het Zuiden, waar ik me volledig in herken. Ik woon in Noord-Italië, werk in het centrum van het land, maar heb mijn hart aan het Zuiden verloren. Het Zuiden is voor mij synoniem voor de zomer. De subtiele lijn waar het donkerblauw van de zee overgaat in een lichtblauwe hemel. Grote gele citroenen. Karaffen donkerrode wijn. Gepensioneerden die lang na zonsondergang nog in hun hemd op de stoep zitten te kletsen. Of door een onbekende meteen vriend genoemd worden. Het Zuiden bestaat niet zonder vergelijking met het Noorden. Italianen gebruiken er verschillende termen voor. Neem su en giù. Korte woorden die een stevige lading op hun smalle schouders dragen. Achter de woorden ‘boven’ en ‘beneden’ schuilt een wereld van betekenis.
Antonio, afkomstig uit Calabrië, nodigde mij ooit uit om te komen eten. “E’ arrivato il pacco da giù”, zei hij. Het pakket van beneden is aangekomen. Ik was achttien, woonde net een paar maanden in Siena en kon hem niet meteen volgen. Uit de enthousiaste reactie van onze teamgenoot Massimo uit Sardinië maakte ik op ik dat dit goed nieuws was. Antonio’s moeder had tientallen potjes pastasaus geweckt. Ze had ook kazen, hammen, olijven, tomaten en zelfs kilo’s brood opgestuurd. Het brood vroor Antonio in, want dat zouteloze spul in Siena kon hij echt niet eten. Uitpuffend op een bankje na onze voetbaltraining kreeg ik mijn eerste lesje in Noord-Zuid-relaties. Giù was het eten veel lekkerder, het leven relaxter en waren de mensen gastvrijer. Maar su was er meer werk en waren de universiteiten beter. “Kijk, jou verwelkomen ze hier met open armen”, zei Antonio toen. “Nederland, dat vinden ze geweldig. Maar wij zuiderlingen moeten ons eerst bewijzen.”
Officieel begint de Mezzogiorno (nog zo’n naam voor het zuiden van Italië) onder de regio’s Abruzzo en Lazio. Donatella komt uit Gaeta, de meest zuidelijke uithoek van Lazio. Toen ik een keer opmerkte dat zij uit het Zuiden kwam, corrigeerde ze me fijntjes. Ze komt uit het centrum van het land. Sara, de Siciliaanse peetmoeder van Gloria, eist haar identiteit als Zuid-Italiaanse wel volledig op. Dankzij haar leerden we de stad Messina kennen en de wijnvelden van haar ouders in de heuvels boven de stad. Ze nam ons ook me naar de Eolische eilanden en Taormina, waar mijn favoriete parfum vandaan komt. Op een zomerse avond in Messina gaf Sara me ook een leestip: Il Gattopardo van Giuseppe Tomasi di Lampedusa. Ik heb het boek verslonden. Het gaat niet alleen over de moeizame verandering rond de eenwording van Italië maar als lezer maak je ook écht kennis met Sicilië en proef je de warmte van het eiland. Di Lampedusa en Capossela roepen elk op hun eigen manier dat unieke gevoel van het Zuiden op. Capossela’s Camera a Sud sluit af met een knipoog naar lo struscio. Die Napolitaanse uitdrukking refereert aan de bijna plechtige avondwandeling waarbij men als in een processie door de straten slentert. Dat alleen al doet me verlangen naar de zomer, en het Zuiden. •
Archief



