Dorpsgenoten
Roeland Scholtalbers
“Uè cumpà”, wenkt Domenico de jonge ober met een kwinkslag. We zijn in een hippe Florentijnse zaak, maar het zuidelijke “hé vriend” valt in goede aarde. “Kom je ook uit Napels?” vraagt de ober terwijl hij zijn armen uitstrekt om Domenico te omhelzen. Die legt uit dat hij, net als zijn echtgenote én die van mij, uit Itri komt. Dat is nog net Lazio, maar komt qua dialect dicht in de buurt van het Napolitaans. Wat zich dan ontspint, is een heerlijk Italiaans tafereeltje. Bruno, zo heet de ober, buigt door zijn knieën, slaakt een kreet waar de Amerikanen naast ons van opkijken en trommelt van plezier op de rand van de tafel. “Daar heb ik een jaar gewoond toen ik nog serieus voetbalde”, zegt hij. We zijn in één klap bevriend. Bruno geeft aan dat we niet naar het menu hoeven te kijken. Hij kiest de lekkerste gerechten wel. Hij zal zijn compaesani, dorpsgenoten, in de watten leggen.
Het blijft een interessante gewaarwording: de eigen kerkklok luidt hier luider dan het volkslied. Italië bestaat uit Romeinen, Napolitanen en Venetianen; uit Piemontesi en Siciliani. Het land bevat duizenden kleine rijkjes met een diepgewortelde lokale trots, die met de prachtige term campanilismo wordt samengevat. Vroeger zei men dat je loyaliteit reikte tot zover je de klokken van je eigen toren kon horen luiden. Op een bepaalde manier is dat nog steeds zo. Het is eigenlijk heel simpel: Italië is als land piepjong. Pas in 1861 werd de boel samengevoegd. Iedere Italiaan kent de legendarische woorden van staatsman Massimo d’Azeglio: “We hebben Italië gemaakt, nu moeten we nog Italianen maken.” Wat minder mensen weten, is dat hij het eigenlijk een stuk pessimistischer formuleerde. Italië was dan wel gemaakt, maar er worden geen Italianen gemaakt, zo merkte hij op.

Ruim 160 jaar later heeft Italië zeker een nationale identeit, maar de liefde voor de eigen campanile (de lokale kerktoren) wint het nog steeds van de nationale vlag. En dat is niet zomaar een gevoel. Volgens cijfers van het ISTAT (het Italiaanse CBS) spreekt nog steeds bijna 14% van de bevolking met familie en vrienden alléén in dialect of streektaal. Een derde mixt het Italiaans met hun lokale dialect. Daar moet wel bij gezegd worden dat dialecten terrein verliezen, vooral in het noorden.
Een ander voorbeeld: Italië heeft de meeste beschermde streekproducten van heel Europa. Dat is geen toeval; het is een manier om wettelijk vast te leggen: dit is van ons, en niet van de buren. Het hardste bewijs vind je natuurlijk aan tafel, want de Italiaanse keuken bestaat niet. Probeer maar eens een tortellino te claimen voor Modena waar een inwoner van Bologna bij staat. Toen ik laatst aan Florentijnse collega’s vertelde dat ik met vrienden in Turijn bagna cauda (een warme dipsaus op basis van ansjovis en veel te veel knoflook) had gegeten, keken die me vreemd aan. Bagna wat?
Met ober Bruno zitten we daarentegen meteen op één lijn. We delen niet alleen de culturele en culinaire referenties van de kuststreek tussen Rome en Napels: we delen zelfs de kerktoren van Itri. “Trattaci bene”, zegt Domenico als het diner ten einde loopt, behandel ons goed. Twee woordjes die direct begrepen worden. We hoeven de desserts niet af te rekenen en krijgen nog een drankje aangeboden. Na een stevige knuffel van Bruno stappen we onder onze gezamenlijke kerktoren vandaan en terug het toeristische gedruis van het centrum van Florence in. •
Archief



