Iello, vette pech
Roeland Scholtalbers
De haven van Maratea ligt verstopt tussen de steile rotsen van de Tyrreense kust. Het water is zo helder dat boten boven de bodem lijken te zweven. Het moet op het heetst van de dag zijn als ik probeer er met de boot aan te meren. Dat verloopt niet voorspoedig. Het haventje ligt bomvol. De ormeggiatore (bootman) geeft vanaf de kant aanwijzingen, maar precies op dat moment krijgen Libero en Gloria ruzie. Ik krijg dus niets mee van de adviezen van de goede man. Ook het roer werkt niet mee, of misschien is dat de stress. Een man met een spierwitte baard op een gele zeilboot geeft ook raad. Helaas staan zijn aanwijzingen haaks op die van de bootman, die inmiddels hevig staat te gebaren. Ik staak mijn poging om ‘parallel in te parkeren’. Terwijl ik de boot in zijn achteruit zet, snauwt de bootman iets richting de man met de baard, die zijn eigen boot losmaakt en vertrekt.
Als ik even later doorweekt van het zweet de kade opstap, zegt de bootman simpelweg: “Iella. Die man brengt ongeluk.” Hij legt niet uit waarom, maar trekt een serieus gezicht en zwaait met zijn handen alsof het ventilatoren zijn. “Alles gaat mis als die man in de buurt is.” Ik moet er weer even aan wennen. Uitgesproken bijgeloof kom ik in Noord-Italië eigenlijk nooit tegen – de term iella is dankzij de Napolitanen en de Romeinen in het Italiaanse woordenboek terechtgekomen. De precieze herkomst van het woord wordt betwist, maar ‘vette pech’ is de eenvoudigste vertaling. Maar iella is geen tegenslag; het is een bijna tastbare verborgen kracht die altijd op de loer ligt. Als je de goden verzoekt, te hard juicht of een foute opmerking maakt, roep je iella over jezelf af.
In Zuid-Italië is bijgeloof niet alleen folklore voor toeristen. Het is een dagelijkse manier om grip op het leven te houden. Napels is de onbetwiste hoofdstad van de scaramanzia, de rituele afwering van het kwaad. In de smalle straatjes van Spaccanapoli zie je de cornicello op elke hoek. De rode, kronkelende hoorn die eruitziet als een Spaanse peper. Hij moet rood zijn, met de hand gemaakt, hol vanbinnen en vooral: gekregen. Zelf kopen helpt niet tegen de iella.
Het mooiste aan het Zuid-Italiaanse bijgeloof is de nuchtere logica die erachter schuilgaat. Vraag een Italiaan uit Campania of hij echt gelooft in het boze oog en hij zal lachend zijn schouders ophalen. Vervolgens pakt hij wel subtiel een metalen sleutelbos vast als er een zwarte kat oversteekt. Misschien ten overvloede: ongeluk neutraliseer je door iets van ijzer aan te raken. De grote Napolitaanse toneelschrijver en acteur Eduardo De Filippo verwoordde dat gevoel ooit perfect. “Essere superstiziosi è da ignoranti, ma non esserlo porta male.” Vrij vertaald: bijgeloof is voor de dommen, maar niet bijgelovig zijn brengt ongeluk.
Archief



