We zijn wezen

“Tot maandag!” roepen Patrizia en haar broer Bruno, de eigenaren van Bar Pascucci, nadat ik daar ’s ochtends cappuccino met een cornetto had genuttigd, zoals ik zes dagen per week doe. Ik moet naar Nederland voor een lezing, maar ben over een paar dagen terug. De zaterdag voor mijn weerkeer ontvang ik een berichtje van buurvrouw Viviana. ‘Nu ook Pascucci dicht?!’ Er gaat een steek door me heen. Dit kan niet waar zijn. Dat zouden ze toch hebben gezegd?
Sinds de jaren tachtig kom ik daar. Alles werd er gedeeld, voor- en tegenspoed. En al die vaste klanten met wie ik door de jaren heen een band heb opgebouwd, nog verinnigd tijdens de pandemie, toen we daar op straat stonden met onze koffie. Ook later op de dag liep ik er wel binnen, voor een broodje of een frullato, waar ze beroemd om waren.
Op zondag wordt de ramp bevestigd door een lang bericht van Bruno en een telefoontje van Patrizia. Het was heel plotseling gegaan. Er had zich een koper aangediend met een aanbod dat ze niet konden weigeren.
Ook al ben ik voorbereid, toch grijpt het me aan als ik in Rome de gesloten glazen deur zie met daarachter de lege kasten, de werkeloze frullati-apparaten en wat rondslingerend fruit eromheen. Er verschijnen artikelen in de krant: ‘Afscheid van een tijd.’ De bar was gesticht in 1938.
Ik ben ook een beetje boos. Ze hadden het langer van tevoren moeten aankondigen, moeten afsluiten met een aperitivo waarbij iedereen telefoonnummers had kunnen uitwisselen. Natuurlijk, ik begrijp het. Patrizia is 73, past vaak op haar kleinkinderen, maar ze genoot ook van dit werk. Bruno, die net 68 is geworden, hield eveneens van zijn baan en gaf menigeen psychologische steun, maar het was zwaar en hij zou willen reizen, zoals de mensen die daarover vertelden aan de toog.
Er zou een ijswinkel in komen. Alsof we daar behoefte aan hebben. Viviana vermoedt dat de maffia hierachter zit en zal het laten uitzoeken. Ik stuur een bericht aan Tiziana, een vaste klant die ik vaak sprak. Sì, una tragedia. Nu gaat ze naar Caffè della Pigna op een pleintje daar om de hoek. Ik wandel erheen, al is Tiziana buiten Rome, maar misschien kom ik andere verweesde bekenden tegen. Het pleintje is prachtig, de bar gezellig, maar ik ken er niemand. De koffie is minder goed dan bij Pascucci, de cornetto ook, maar ik zou me ermee kunnen verzoenen, besef ik als ik terugloop.
“Buongiorno professore!” Een oudere lange man komt uit het huis dat tussen de muren van de Thermen van Agrippa is gebouwd. Hij spreidt zijn armen: “Siamo orfani!” We zijn wezen. Hij is hersenchirurg en je kon hem bij Pascucci altijd vragen in welk ziekenhuis je moest zijn, bij welke arts voor een bepaalde kwaal. Hij heeft nog geen nieuwe bar.
Ik ontvang een appje van Nino, de Sardijn die ik ook vaak sprak, kunsthistoricus bij een Vaticaanse instelling om de hoek, en zenmeester. Caffè della Pigna is niet meer wat het was, zegt hij. Deze dagen ging hij naar Caffè Camerino. Daar kom ik al op zondag, als Pascucci dicht was. De bar is goed, bestaat al lang, maar we vinden het er wat lawaaierig.
We besluiten op zoek te gaan en zo spreken we, ook met Serena, zijn collega, elke ochtend af in een andere bar. We horen lof over Bar Amore, vlak bij mijn huis, aan het Katten-forum, maar zo smal dat hij me was ontglipt. Eveneens gesticht in 1938. Het bevalt ons daar. Nu ga ik een paar dagen in de week naar Bar Amore, soms naar Caffè della Pigna waar ik Tiziana zie, en ook wel eens naar Camerino. Voorlopig wissel ik af. Bar Pasquino schijnt goed te zijn, zegt Nino, en met geschiedenis. Die zullen we ook proberen. Er gaat een deur dicht en vele deuren open, zo troosten we elkaar. •

Schrijfster Rosita Steenbeek verhaalt over haar dagelijkse leven in Italië.

nr. 1, 2026

Nieuwsbrief

Advertentie

Bezoek Italië, Emilia Romagna

instagram